Anatomie van de urinewegen
Het urinewegstelsel bestaat uit een geheel van organen dat urine aanmaakt en afvoert uit het lichaam. Het bestaat uit twee aparte delen: de hogere urinewegen, gelegen in de buik, met de nieren en de urineleiders, en de lagere urinewegen met de blaas en de urinebuis. We behandelen hier de lagere urinewegen:
- Blaas
- Urinebuis
- Bekkenbodem
- Continent - incontinent
Blaas
De blaas is een natuurlijk, bolvormig reservoir waarin de urine zich verzamelt tussen de urinelozingen (het plassen) in.
De blaas bevindt zich in het kleine bekken, onder het buikvlies, bij de vrouw voor de baarmoeder en de vagina.
De wand, die zo'n 0,5 centimeter dik is, bestaat uit twee lagen: de buitenste is een spierlaag (de detrusor), de binnenste komt in aanraking met de urine en is een slijmvlies dat zorgt voor de waterdichtheid van de blaas.
De blaas staat met de nieren in verbinding via de urineleiders.
De blaas is bijzonder soepel en vult zich als een ballon. Hij kan ongeveer 300 à 400 milliliter bevatten wanneer hij vol is; daarna komt de aandrang tot plassen. De urine stroomt weg via de urinebuis, die de blaashals verbindt met de urinebuismonding.
De blaashals is omringd door een spier, de sluitspier. Deze kan worden geopend zodra men heeft besloten te gaan plassen, en gesloten wanneer men klaar is.
De spieren in de blaaswand vervullen een belangrijke rol in het plasmechanisme. Ze zijn ontspannen tijdens de vulfase van de blaas en trekken samen om de blaas te ledigen. Tijdens het ledigen van de blaas zijn de spieren rond de urinebuis ontspannen zodat de blaas zich kan ledigen.
Het duurt als kind enkele jaren voordat we het plasmechanisme zelf onder controle krijgen. Maar nadien is niet veel nodig om dat patroon te verstoren met ongecontroleerd urineverlies tot gevolg.
De hoeveelheid door de blaas uitgescheiden urine varieert van 0,5 tot 2 liter per dag, afhankelijk van de hoeveelheid opgenomen vocht, de voeding, de lichamelijke inspanning, het klimaat, enzovoort.
Urinebuis (urethra)
De urinebuis is de buis tussen de blaas en de urinebuismonding waardoor urine wordt afgevoerd. Hij is kort, iets langer dan 3 centimeter, en recht.
De urinebuis is omgeven door de sluitspier die zorgt voor het openen bij het plassen en voor de sluiting hierna.
Tijdens het ledigen van de blaas zijn de spieren rond de urinebuis ontspannen zodat de blaas zich kan ledigen.
Bekkenbodem
De bekkenbodem bevindt zich aan de onderzijde van het bekken en vormt samen met de botten de onderkant van de buikholte. In de bekkenbodem bevinden zich de urinebuis (urethra), de schede (vagina) en het uiteinde van de dikke darm (rectum). Vaak komen daarom tegelijkertijd verschillende klachten voor.
De bekkenbodem is een sterk en complex geheel van spieren, zenuwen en banden. Zij zorgen ervoor dat u de blaas, de schede en de darm kunt afsluiten wanneer u dat wilt. Ook de spieren van de bekkenbodem, alsmede de ophangbanden die vastzitten aan de botten, houden de organen op hun plaats.
Door de bekkenbodemspieren te ontspannen kunt u plassen, gemeenschap hebben of ontlasting hebben.
Normaal zijn de spieren van de bekkenbodem aangespannen, niet te weinig maar ook niet te veel. Bij het persen wordt de bekkenbodem stevig en door twee bandgroepen ondersteund. Elke zwakte van een van die spieren kan verantwoordelijk zijn voor een verzakking, dat wil zeggen voor het omlaag zakken van een orgaan, of voor een verschuiving van de verbinding tussen de urinebuis en de blaashals.
Bij een verzakking kan de blaas, het rectum (uiteinde van de dikke darm) of de baarmoeder via de schede naar buiten zakken.
Continent - continentie
Continent of continentie wil zeggen dat het afsluitingsmechanisme van de blaas goed werkt en dat men controle heeft over het moment van plassen.
Tussen twee urinelozingen is de sluitspier zo strak gesloten dat de urinebuis wordt samengedrukt. Dankzij de weerstand van de spuitspier blijft de urine in de blaas, ondanks de druk tijdens het vulproces. Zo zal de spier, ook bij druk van buitenaf op de blaas, bijvoorbeeld bij inspanning, zich in een reflex extra samentrekken waardoor urineverlies wordt voorkomen.
De urinebuis rust op de bekkenbodem. De stevigheid van dit steunweefsel zorgt voor stabiliteit. Bij druk in de buik, zoals bij niezen, persen en dergelijke wordt de urinebuis op dit weefsel samengedrukt, wat zorgt voor de afsluiting. En de afsluiting van de urinbuis waarborgt de sluiting van de blaashals en dus de continentie.
